Startpagina

Alles over de Honingbij

 

 

 

De honingbij (Apis mellifera) is een wereldwijd verspreid insect. 

De Apis mellifera noemen we een vliesvleugelig insect.

De honingbij wordt ingezet voor de productie van honing, bijenwas en voor de bestuiving van gewassen (vooral fruit), en winning van propolis. Hiervoor worden de bijenvolken gehouden en onderhouden door imkers.

Honingbijen beschikken over een interne biologische klok, waardoor ze beter kunnen navigeren en taken kunnen verdelen. Daarnaast is de biologische klok van groot belang bij de bijendans, waarmee de werksters elkaar informatie doorgeven over voedselbronnen.

De honingbij is een over de gehele wereld voorkomend insect.  In westerse landen heeft de bijenteelt door de eeuwen heen een grote perfectie bereikt: de bijen die in Europa door imkers worden gehouden zijn veel tammer, ze steken minder snel en maken grote volken. De opbrengst aan honing in Nederland bedraagt ongeveer 30 kilo honing per volk per jaar. In landen met een beter klimaat en een goede bijenteelt (bijvoorbeeld Australie) brengen volken wel 200 tot 300 kg per jaar op.

Bijen produceren honing, was en propolis, dat is echter niet hun enige belangrijke taak. De bijen bestuiven de bloemen van alle planten die zij bezoeken. Daarom zien we vaak bijenkasten bij fruittelers. Doordat de bloemen bestoven worden, zullen er meer en betere vruchten aan de bomen groeien. Het bijzondere van de honingbij is dat zij plantvast is. Dat wil zeggen een bij vliegt altijd maar op een soort plant, pas als de bloemen van die plant geen honing meer geven zoekt zij een andere plant. Op deze wijze ontstaat altijd een bestuiving met het stuifmeel van dezelfde soort plant.

Bijen en landbouw vormen al sinds mensenheugenis een bijzonder belangrijke combinatie. De bij gaat altijd weer op zoek naar voedsel dat zij vindt in bloeiende bloemen. In diverse landbouwgewassen zijn deze te vinden, zodat op een bepaald moment de bij hierin gesignaleerd wordt. Hierbij is in het voorjaar te denken aan een weiland met bloeiende paardebloemen, of s’zomers aan een veld aardappelen met fleurige bloeiende bloemetjes.

Daarnaast is de honingbij de belangrijkste leverancier van verschillende natuurproducten zoals honing, bijenwas, koninginnengelei en propolis. De honingbij wordt door mensen op grote schaal in kunstmatige bijenkorven gehuisvest voor productiedoeleinden. De honingbij wordt echter ook bedreigd door de mens.

De bij is  kwetsbaar.Regelmatig blijkt er een compleet volk of gedeelte hiervan het loodje gelegd te hebben. Regelmatig ervaren imkers een behoorlijke vermindering van de populatie. Meerdere redenen zijn te noemen, als oorzaak van bijensterfte. Uiteraard kan dit liggen aan voedselproblemen in de winter of doordat de koningin helaas het loodje heeft gelegd. Ook schijnt het dat de geïntroduceerde Europese honingbij op een aantal terreinen kwetsbaarder is, dan haar Aziatische soortgenoot. De Europese honingbij blijkt gevoeliger te zijn voor de beruchte Varroamijt die vaak ook schadelijke virussen meebrengt zoals het Deformed Wing Virus.

Bijen leven in volken. Eén bij in een volk is de koningin, zij is veel verder ontwikkeld dan de andere bijen in haar volk. De andere bijen zijn een soort 'onderdanen', het zijn werkers en verzorgers.

Omdat de bijen belangrijk zijn voor de bestuiving van vele planten , hebben ze daarom indirect een rol van ongeveer dertig procent in de keten van al het menselijk voedsel.

Bijen leven van nectar, van de stuifmeel van bloemen en van andere zoete afscheidingen zoals honingdauw. De honing is de overwinteringsvoeding voor de volgroeide bijen. De larven worden grootgebracht met voedersappen. Voedersappen worden door voedsterbijen geproduceerd en zijn een mengsel van eiwitrijke lichaamseigen afscheidingen van de voedersapklieren, nectar en stuifmeel.

Kunstmatige bijenvolken moeten regelmatig onderhouden worden om ze van afval te ontdoen en om de honing te oogsten. Onder natuurlijke omstandigheden bouwen de bijen steeds een nieuw nest om aan nestparasieten te ontkomen. Het onderhoud wordt uitgevoerd door o.a. professionele bijenhouders die imkers worden genoemd.

De koningin wordt door de Imker moer genoemd en zij is degene die het nest in stand houdt door grote hoeveelheden eitjes te leggen, tot 2000 per dag. De werksters zijn net als de moer vrouwelijk en de werksters zijn in de meerderheid, de meeste exemplaren van de honingbij zijn werksters. In de zomer komen de mannelijke bijen tevoorschijn, een mannetje wordt de dar genoemd. Zij dienen alleen voor de paring en helpen met de temperatuurregeling in de bijenwoning. Als er niet genoeg stuifmeel in het bijennest aanwezig is worden ze het nest uitgegooid. In een nest is in de winter een moer en ongeveer 10000 werkbijen aanwezig, er zijn dan geen darren. In de zomer zijn enkele honderden darren aanwezig en kan het aantal werksters oplopen tot 80.000.

De honingbij legt gedurende haar leven een enorme afstand af door van de voedselbronnen naar het nest te vliegen. De bij kan kilometers afleggen op zoek naar voedsel tijdens een enkele vlucht en maakt gemiddeld 15 vluchten per dag. Dit kan echter oplopen tot wel 150 vluchten per dag, het aantal bezochte bloemen kan hierbij oplopen tot rond de 1000.

De meeste werksters komen aan hun einde doordat de vleugels dusdanig zijn versleten dat ze niet meer naar het nest kunnen vliegen. Dit verklaart ook de langere levensduur van een werkbij in de winter en van de moer, want die vliegen vrijwel niet. Door het zware werk en de enorme afstanden die de werkster aflegt slijten haar vleugels snel, ze vliegt op sommige dagen wel 250 km. Na ongeveer 800 km vliegen zijn haar vleugels versleten. Ze verhongert dan of valt ten prooi aan roofdieren.

Het zijn vaak de wachterbijen die het nest bewaken die steken, ook als een bij die naar voedsel zoekt wordt lastig gevallen zal deze steken. Zowel de wachterbijen als de exemplaren die honing zoeken zijn allemaal oudere exemplaren. De jongere bijen werken vooral in het nest, ze bouwen raten en voeren de larven. De oudere bijen worden dus continu vervangen door jongere bijen, en het is dus niet erg dat een deel van de bijen wegvalt doordat ze sterven na een steek.

Er wordt wel gedacht dat de bijenkoningin niet kan steken omdat zij eitjes moet afzetten. De eitjes komen echter door een opening aan de basis van de angel naar buiten, de angel is net zoals de werksters volledig ontwikkeld en een moer kan dus wel degelijk steken. Haar angel is echter wel anders van vorm dan die van de werksters; de punt draagt geen weerhaakjes zodat de moer niet sterft na een steek. Zij is dus de enige die meerdere keren kan steken.

Aan het einde van het achterlijf zijn ook de geslachtsorganen gelegen. Een belangrijk verschil tussen de moer en de werksters is de grootte van het eilegapparaat. Bij de moer vullen ze vrijwel het gehele achterlijf. In de meeste gevallen worden eitjes afgezet die werksters voort moeten brengen en wordt het ei bevrucht. Als er behoefte is aan mannetjes blijft de opening van de spermatheek gesloten en wordt het ei niet bevrucht. Alleen uit onbevruchte eitjes kunnen mannetjes ontstaan, zij hebben dus slechts de helft van het genetisch materiaal.

Het zenuwstelsel van de volwassen honingbij is goed ontwikkeld wat het complexe gedrag verklaart. Ook andere insecten hebben een soms buitengewoon ingewikkelde levenswijze en kennen een breed scala aan gedragingen, bij de honingbij echter zijn dergelijke gedragingen en de achtergelegen oorzaken goed onderzocht.

De honingbij heeft relatief grote hersenen in vergelijking met andere insecten. De hersendelen van de werkster van de honingbij die het oriëntatievermogen regelen zijn verhoudingsgewijs veel groter.

Bijen ontlasten zich liefst niet in het nest maar tijdens het vliegen. Alleen in de winter moeten de bijen hun behoefte in het nest doen, wat de kans op ziektes verhoogt.

De wasklieren van de bij  dienen om was aan te maken om zo de raatcellen op te bouwen. De wasproductie van bijen is  een van de meest gespecialiseerde vormen van nestbouw, de meeste andere nestbouwende insecten maken hun nest uit natuurlijke producten die ze in de omgeving aantreffen.De honingbij heeft altijd vier paar wasklieren, dus acht in totaal.

Taakverdeling van de werksterbijen

Het in stand houden van het nest vereist een grote mate van samenwerking en de werksters hanteren een strikte taakverdeling. Belangrijke taken zijn het maken van nieuwe raatcellen, het verzorgen van de larven, het schoonhouden van het nest, het verjagen van vijanden, het dichten van kleine nestopeningen, het ventileren van het nest, het maken van honing, het zoeken naar voedsel en het beschermen van het nest. Het werkzame leven van een honingbij begint al direct nadat zij uit de cel is gekropen.

Honingbijen beschikken over een interne biologische klok, waardoor ze beter kunnen navigeren en taken kunnen verdelen. Daarnaast is de biologische klok van groot belang bij de bijendans, waarmee de werksters elkaar informatie doorgeven over voedselbronnen.

De taken van een honingbij veranderen gedurende haar leven. De jonge, net uitgekomen bijen hebben andere taken dan de oudere bijen. De jongere exemplaren kunnen meteen vliegen maar doen dit zelden, ze blijven in het nest en voeren huishoudelijke taken uit. Een pas uitgekomen honingbij zal zich voornamelijk bezighouden met het schoonpoetsen van cellen, enkele dagen later is zij ook in staat de nectar te bewerken. Ondertussen kijkt de jonge werkster het uitvoeren van een bijendans af van haar soortgenoten. Na zes dagen kan zij jonge larven verzorgen en voeden. Als de werkster ongeveer vijftien dagen oud is, zal zij zo nu en dan bij de vliegopening gaan kijken en helpt daar ook bij de bewaking van de woning. Als zij ongeveer 21 dagen oud is, vliegt de werkster voor de eerste maal uit om nectar en stuifmeel te verzamelen.

De oudere bijen vliegen juist veel en zoeken naar voedsel of bewaken de nestingang. Deze verandering in taakverdeling verhoogt de efficiëntie van het bijenvolken wordt in stand gehouden door de constante aanvoer van nieuwe bijen die uit hun pop kruipen. De bijen verspreiden zich hierdoor van binnen naar buiten het nest. In grote volken kunnen dagelijks 1000 tot 2000 nieuwe exemplaren uitsluipen.

Het bouwen van het nest

De werksters bouwen een koninginnecel, of moerdop genoemd.

Het overgrote deel van de populaties van de honingbij leeft in door de mens gecreëerde nesten, deze worden ook wel bijenkorven of bijenkasten genoemd. In de vrije natuur leven bijen op beschutte plekken zoals bijvoorbeeld in holle bomen en soms in ondergrondse nesten.

De honingbij wordt geboren in een ei dat door de moer in een van de cellen in de bijenraat is gebracht. De cel wordt voorzien van voedsel en wordt vervolgens afgesloten door een dekseltje van bijenwas. Ook de raat zelf bestaat uit was, de raat kan honderden cellen bevatten die een verschillende functie hebben. Sommige cellen dienen als broedkamer voor de larven en de poppen, andere dienen als opslagplaats voor stuifmeel en honing. De cellen worden na gebruik schoongemaakt door de werksters, de cellen worden meerdere malen gebruikt.

De raat bestaat uit bijenwas en wat direct opvalt zijn de cellen die allemaal hexagonaal zijn wat betekent dat ze een zeshoekige vorm hebben. Een ander kenmerk van de cellen is dat ze materiaalkundig gezien uit exact de juiste dikte bestaan. De raten zijn opgebouwd uit een wasachtige stof genaamd bijenwas. De cellen waarin mannetjes opgroeien zijn groter dan die waarin de werksters zich ontwikkelen. De mannetjes hebben door hun grote ogen een bredere kop.

De cellen waarin een moer opgroeit worden bovenop de raat gemaakt en deze cellen worden zwermcellen of moerdoppen genoemd. De moerdoppen zijn gemakkelijk te herkennen omdat ze bovenop de raat worden gebouwd en duidelijk opvallen door de vaasvorm. Ze maken dus geen onderdeel uit van het nest. Zodra een moer een dergelijke moerdop opmerkt wordt er direct een ei in afgezet, ook al is het nog niet helemaal af. Voordat de eerste moerdoppen worden gemaakt, hebben de werksters eerst enkele 'proefcellen' gebouwd, deze cellen worden wel speelcellen genoemd

Het verzamelen van voedsel

Een werkster komt aanvliegen met gevulde korfjes. Werksters vullen de raat met stuifmeel. De volwassen honingbij leeft voornamelijk van nectar en stuifmeel die door planten wordt geproduceerd. De werkster kan alleen voedsel vinden bij daglicht en de bij is buiten het nest te vinden van de vroege morgen tot laat in de avond op zoek naar voedsel. De bijen zijn alleen actief als de buitentemperatuur boven de tien ° Celsius is en er zich bloeiende, nectardragende planten in de omgeving bevinden.

De planten gebruiken de bij om het stuifmeel van de ene naar de andere bloem over te brengen, zodat kruisbestuiving mogelijk wordt. Hoe goed de bij zich ook poetst om het stuifmeel in het stuifmeelkorfje te krijgen, er blijven altijd wel een paar korrels over om de bloembevruchting mogelijk te maken.

De nectar levert suikers die worden gebruikt als energiebron voor het vliegen. Het vliegen kost veel energie en het suikerrijke en gemakkelijk in energie omzetbare nectar is ideaal als brandstof. De verzamelde stuifmeelkorrels zijn bronnen van eiwitten (proteïnen) die nodig zijn om de verschillende klieruitscheidingen mogelijk te maken, zoals de was uit de wasklieren. Deze twee soorten voedsel mogen echter niet bij elkaar komen, zodat ze strikt gescheiden worden opgeslagen. Als de nectar en het stuifmeel vermengd worden kan het geheel gaan fermenteren. De nectar wordt in de honingmaag gezogen en het stuifmeel wordt aan de poten geplakt. Het stuifmeel wordt wel plakkerig gemaakt met behulp van nectar zodat het niet onderweg verloren wordt.

De honingbij treft soms een grote voedselbron aan en is in staat om de locatie van een dergelijke bron door te geven aan haar nestgenoten. De bij doet dit door een ritmisch dansje uit te voeren, dit wordt wel de bijendans genoemd De andere bijen vormen een zwerm en het exemplaar dat het voedsel heeft gevonden zet een sterk geurende afscheiding af vlak bij de voedselbron. Deze geurvlag wordt opgepikt door de andere bijen. Vooral op planten die een minder sterke eigen geur hebben wordt een geurvlag afgezet.

De bijendans van de honingbij was lange tijd onbegrepen. De dans wordt nooit buiten het nest uitgevoerd, en vindt dus altijd plaats in het donker. De Oostenrijks zoöloog Karl von Frisch gebruikte een doorzichtige nestkast en ontdekte dat er twee verschillende dansjes waren; een rondedans voor een voedselbron op korte afstand en een kwispeldans voor een voedselbron op langere afstand. De bijendans is een belangrijke methode van de overdracht van informatie, en kan gezien worden als een primitieve taal.

Temperatuurshandhaving

Als bijen massaal met hun vleugels waaieren ontstaat er een luchtstroom die het nest koelt. De temperatuur van het nest is cruciaal voor het functioneren van de bij, ook de voortplantingssnelheid is grotendeels afhankelijk van de omgevingstemperatuur. De ideale temperatuur van een volk in de lente en zomer is 35° maar er zijn dan larven en de werksters vliegen uit. In de winter zijn er geen larven en zijn de werksters inactief, de nesttemperatuur is dan ongeveer 17°.

In de zomer heeft de honingbij voornamelijk te duchten van hitte en kent verschillende manieren om het nest te koelen. Een deel van het leven van de honingbij bestaat uit het dienen als levende ventilator. De honingbij houdt zich een deel van het leven op in het nest terwijl de vleugels worden bewogen. Hierdoor wordt de lucht in het nest ververst wat een aantal verschillende doeleinden dient, de belangrijkste is om de temperatuur in stand te houden. Deze mag niet te hoog worden want dan raken de bijen overhit. Ook wordt verse zuurstof aangevoerd en een belangrijke reden van nestventilatie is dat de vochtige nestlucht wordt vervangen door droge lucht van buiten. Dit speelt een rol in honingproductie, van de verzamelde nectar verdampte het grootste deel. De ideale nesttemperatuur is 35 graden Celsius. 

Als de temperatuur te hoog wordt en een kritiek punt bereikt, stoppen de bijen met het halen van honing, en gaan op zoek naar water. Ze nemen dit op uit plasjes en dergelijke, en brengen het in het nest. Hier wordt het water door de werksters verdampt door de druppels over de tong te laten uitvloeien zodat het sneller verdampt. Op deze manier wordt ook nectar omgezet in honing, maar het verdampen van water koelt het nest sneller. Zodra de nesttemperatuur voldoende is gezakt, stoppen de werksters met het halen van water en gaan over tot hun normale werkzaamheden.

In de winter, als de bijen verminderd actief zijn, bevinden ze zich dicht tegen elkaar om zo de temperatuur te handhaven. Een dergelijk opeengepakt volk wordt een wintertros genoemd. De bijen bewegen hun vleugelspieren om warmte te genereren. De spieren zijn dan losgekoppeld van de vleugels zodat deze hierbij niet worden bewogen. Door enkel de vliegspieren te laten trillen wordt warmte opgewekt in het borststuk en alle bijen tezamen verhogen de nesttemperatuur aanzienlijk. In de winter schommelt de temperatuur tussen 20 en 36 graden. De bijen komen weer tevoorschijn als de temperaturen hoog genoeg zijn en de eerste nectardragende planten zich aandoen.

Honingproductie

Door hun tong uit te steken en hier de nectar over te laten vloeien wordt meer water verdampt. Zodra de door de bijen verzamelde nectar door een haalbij in het nest wordt gebracht, wordt deze in een raatcel gebracht. De honing wordt altijd in de buitenste cellen van het nest opgeslagen. De honingbewerkster ontvangt een druppel nectar van de haalbij en voegt hier een enzym aan toe dat invertase wordt genoemd. Vervolgens wordt de nectar ingedikt, dit geschiedt door de nectar bloot te stellen aan de buitenlucht zodat een deel van het water verdampt. De bij strekt hiertoe de tong waarop zich de nectar bevindt zodat het verdampingsoppervlak wordt vergoot. De andere bijen ondersteunen dit proces door met de vleugels te klappen waardoor het nest wordt geventileerd. Met name 's avonds, als de honingbij niet vliegt, zijn vele exemplaren bezig met het omzetten van nectar in honing. Hierbij wordt niet alleen water onttrokken aan de nectar maar ook vele geurstoffen. Deze zijn erg vluchtig en zij veroorzaken een sterke bloemenlucht in de omgeving van een bijennest waar de bijen massaal bezig zijn met het indikken.

Voortplanting

Het bijenvolk is een sterke leefgemeenschap, de voortplanting is niet gericht op een enkele bij maar veeleer op het gehele bijenvolk. De kolonie groeit in het voorjaar als veel planten in bloei staan en er grote hoeveelheden voedsel in de vorm van nectar en stuifmeel beschikbaar zijn.

De voortplantingsmechanismen van de honingbij waren lange tijd totaal onbegrepen; men dacht dat de bijen 'spontaan' ontstonden in het bijennest wat autogenese werd genoemd. Pas in de zeventiende eeuw beschreef de Nederlandse natuurwetenschapper Jan Swammerdam de darren.

Werksterbijen

Tegenwoordig weten we dat de honingbij een van de honderden soorten insecten is die in sociale kolonies leeft en waar de vrouwtjes feitelijk de dienst uitmaken. Aan de basis van iedere kolonie staat een koningin of moer die de grote hoeveelheden eitjes afzet, hieruit kruipen voornamelijk de vrouwelijke werksterbijen die de kolonie uitbouwen, voedsel halen en de larven verzorgen. De werksters zijn niet onvruchtbaar maar hun vruchtbaarheid wordt onderdrukt door bepaalde feromonen die de moer uitscheidt. Als de moer onverhoeds sterft, kunnen de werksters vruchtbaar worden en eitjes ontwikkelen. Maar dit gebeurt maar heel zelden. Eenmaal per jaar vindt de voortplanting plaats, de voortplantingscyclus van de honingbij is zeer complex.

Darren

De dikkerds zijn darren. Dat zijn de mannetjesbijen. De ogen van de dar zijn zo groot dat ze elkaar boven op de kop raken.

De vrouwelijke werkbijen maken grotere cellen in de raat en in deze cellen zet de moer onbevruchte eieren af. Uit deze eieren komen na 24 dagen de mannelijke bijen, de darren, die na ruim een week geslachtsrijp zijn.  De levensduur van een dar is erg afhankelijk van de omstandigheden waarin een dar opgroeit en kan variëren van 12 tot 90 dagen.

De moer

Als er eenmaal darren zijn, gaan de werksters langs de randen van de raten een aantal grote verticale cellen maken die moerdoppen worden genoemd. De moer legt hier een normaal bevrucht eitje in. Als na drie dagen de larve uit het ei kruipt, krijgt dit larfje bijzonder voedsel dat wordt geproduceerd in de kopklieren van de werksters. Dit voedsel wordt wel koninginnenbrij of koninginnengelei genoemd, het eiwitrijke voedsel wordt door de werksters met behulp van nectar, stuifmeel en de voedersapklier in hun kop geproduceerd. Deze uitverkoren larven groeien heel snel en verpoppen na zes dagen. Dertien dagen nadat de larve uit het ei is gekomen wordt de nieuwe moer geboren.

Ook als er onverwachts iets met de koningin gebeurt kan het volk een nieuwe koningin maken uit een larf van een bevrucht eitje in een gewone cel. Die cel wordt dan snel achteraf aangepast om op een moerdop te lijken en heet een redcel]. Bij redcellen kun je meestal duidelijk zien dat de oorsprong horizontaal was.

Net voor haar geboorte waarschuwt de nieuwe moer, door middel van bepaalde piepgeluiden, het zogenoemde tuten en kwaken, dat zij in aantocht is. De oude moer vliegt met ongeveer de helft van het volk uit nadat de eerste koninginnecellen gesloten worden, namelijk tussen 1 en 7 dagen voor de geboorte van de jonge koninginnen, en zoekt een nieuwe woning.

Zwermen

Deze jaarlijkse volksverhuizing wordt wel zwermen genoemd, de eerste bijenzwerm bevat meestal 10.000 tot 20.000 bijen. De bijen hebben zich van te voren helemaal volgezogen met honing en kunnen hierdoor niet gemakkelijk steken. Een bijenzwerm is hierdoor dan ook erg passief. In het gehalveerde volk komen nu binnen enkele dagen nog verschillende koninginnen uit en telkens verlaat de oudste, met de helft van het resterende volk, de kast om een nieuwe woning te zoeken. Op deze manier splitst het volk zich op in 3 à 6 volken. De volken beginnen in hun nieuwe woning direct met het bouwen van raten, de nieuwe moeren maken na ongeveer 3 à 15 dagen hun bruidsvlucht.

Paring

Darren hebben grotere en rondere ogen die elkaar raken aan de bovenzijde van de kop. In de namiddag vliegen de jonge moeren uit en begeven zich naar een plaats waar de darren zich verzameld hebben. De darren achtervolgen de moer en alleen de snelsten kunnen met haar paren, dit gebeurt tijdens de vlucht. Dit wordt de bruidsvlucht genoemd. Omdat de moeren een voorkeur hebben voor darren die tot een andere kolonie behoren wordt het nageslacht voorzien van nieuwe genen.

De paring van de honingbij gaat snel en duurt hooguit enkele seconden. Zodra een dar de moer bevrucht heeft sterft hij. Bij het afgeven van de spermacellen scheurt namelijk zijn achterlijf open wat fataal is voor een dar. De moer paart met zo veel mogelijk darren waarbij ze genoeg spermacellen verzamelt voor de rest van haar leven. Ze heeft ruimte voor ongeveer 5 miljoen zaadcellen in haar achterlijf, maar kan tot 80 miljoen zaadcellen ontvangen tijdens de bruidsvlucht. De moer paart met 10 tot 20 darren. Als de bevruchte moer terugkeert, blijft zij verder in de woning en ongeveer twee tot drie dagen later begint zij met het leggen van de eitjes. De moer kan in het hoogseizoen tot 2000 eitjes per dag leggen, wat ongeveer het dubbele van haar eigen gewicht is, zodat het volk snel uitgroeit tot een gemeenschap van 40.000 tot 80.000 werksters.

Darrenslacht

De dar haalt zelf geen voedsel maar wordt gevoerd door de werksters. In de nazomer, wanneer er minder stuifmeel is, voeren de werksters de darren niet meer. Hierdoor verzwakken de darren en dan jagen de werksters hen het nest uit. De darren sterven dan door honger of door koude. Slechts zelden indien ze niet meewerkend zijn worden ze doodgestoken. Dit jaarlijkse opruimen van de mannetjes wordt wel de darrenslacht genoemd.

Ontwikkeling

De moer zet de eieren af in de cellen van de raat, dergelijke cellen worden broedcellen genoemd.

Het ei van de honingbij is langwerpig van vorm en wit van kleur, het ei wordt ongeveer twee millimeter lang. De eieren worden normaal gesproken altijd afgezet door de moer . Als de moer onverwacht sterft kunnen ook de werksters vruchtbaar worden maar dit komt hoogst zelden voor. Het bijzondere aan de eieren van de moer is dat ze zowel bevruchte als onbevruchte eieren kan afzetten. Voordat een ei in een cel wordt gedeponeerd onderzoekt de moer de afmetingen van de cel met haar voorpoten.

Als het een grotere (darren)cel betreft wordt het ei afgezet zonder dat er zaadcellen wordt toegevoegd en is het ei onbevrucht. Er kan dan alleen een mannetje uit kruipen. Als het een kleinere (werkster)cel betreft wordt wel een zaadcel toegelaten en wordt het ei bevrucht. Het ei van de honingbij heeft een kleine, deukachtige structuur een één zijde waardoor de zaadcel naar binnen is gekomen.

Het embryonale stadium is na ongeveer 3 dragen voltooid waarna de wormachtige larve uit het ei kruipt. Het aantal eitjes dat dagelijks wordt afgezet kan oplopen tot 2000 per dag, dit zijn er gemiddeld meer dan 80 per uur. Aangezien een moer 4 tot 5 jaar oud kan worden kan zij in totaal ruim twee miljoen eieren produceren gedurende haar leven

De moer legt eitjes in de cellen van de raat. Na drie dagen kruipt een larfje uit het eitje. Dit larfje wordt gevoerd door de werksters en na zes dagen verpopt het zich: dan wordt de cel door de werksters met een dekseltje van was afgesloten. In de gesloten cel vindt de gedaanteverwisseling plaats. Eenentwintig dagen na het leggen van het eitje knaagt de jonge bij het wasdekseltje stuk en kruipt uit de cel. Het larfje is nu uitgegroeid tot een werksterbij.

Soms leggen de werksterbijen eitjes, dit gebeurt normaal gesproken alleen als een volk zonder moer zit.Ook in nesten waarin wel een moer aanwezig is kan het soms voorkomen dat een werkster eieren afzet, maar deze worden door de andere bijen niet geaccepteerd. De andere werksters kunnen het verschil waarnemen tussen een ei van een van hun collega's en het ei van de moer, dit komt doordat de moer een feromoon afgeeft op ieder ei. De eieren van andere werksters worden opgegeten en de meeste afgezette werkstereitjes zijn binnen twee uur vernietigd

Larve

De larven zijn wit en wormachtig, iedere larve ontwikkelt zich in zijn eigen cel.

De larve van een honingbij is wormachtig en pootloos, de larve ziet er uit als een dikke vliegenmade en is wit tot geel van kleur. De larve heeft een gekromd, C- vormig lichaam dat duidelijk is gesegmenteerd. De larve groeit zeer snel en neemt enorm in gewicht toe; een pas uitgekomen larve zal met een factor 1500 aan gewicht toenemen voordat de verpopping plaatsvindt. De larve van een moer wordt zelfs 3000 keer zo zwaar als het aanvangsgewicht tijdens de voederperiode. De huid van de larve is wel enigszins rekbaar maar kan niet meegroeien waardoor de larve in stapjes moet groeien en steeds een vervelling of ecdysis plaatsvindt. Hierbij wordt de oude huid afgeworpen en de onderliggende nieuwe huid is ruimer zodat de larve in omvang kan toenemen. De larve van de honingbij vervelt altijd vier keer en kent dus vijf larvestadia. De larvestadia worden ook wel instars genoemd.

Het larvestadium van de honingbij wordt volledig aan het oog onttrokken doordat het zich afspeelt in de bijenraat. De larven hebben een luizenleven, ze krijgen zoveel voedsel als ze willen en krijgen voortdurend aandacht van de werksters en worden zwaar bewaakt. Er zijn maar enkele vijanden die erin slagen de larven aan te tasten zonder door de werksters te worden doodgestoken.

De honingbij moet veel voedsel verzamelen omdat de larven niet voor zichzelf kunnen zorgen wat een grote belasting op de werksters legt. Het voedsel van de larven bestaat uit een vloeistof die wordt opgeslagen in de voorraadcellen. Het larvenvoedsel wordt door de werksters aangevoerd en bestaat uit suikers, vetten en koolhydraten; precies wat de larven nodig hebben en in de ideale verhouding. Doordat de larven het perfecte voedsel krijgen, groeien ze relatief snel en bovendien blijven er na de vertering weinig afvalstoffen achter. Het voedsel dat de larven krijgen bepaalt ook hun lot. De meeste larven krijgen normaal voedsel en larven die speciaal voedsel krijgen groeien sneller en worden groter. Deze voedselbron wordt wel koninginnegelei genoemd en alleen de larven in de moerdoppen krijgen dergelijk voer. Alleen als de moer onverwacht wegvalt beginnen de werksters in zogenaamde redcellen de normale larven koninginnengelei te voeren zodat ze alsnog kunnen uitgroeien tot moer. Dergelijke omgebouwde cellen zijn te herkennen aan het feit dat ze niet op het nest zijn gebouwd, zoals echte moerdoppen, maar zijn ontstaan uit een normale raatcel .

Sterfte onder bijenvolken

De varroamijt behoort tot de mijten en zuigt bloedvloeistof bij de volwassen bijen. De mijt zet haar eitjes af in de cellen bij de opgroeiende larven. Vooral in Darrencellen.  De jonge mijt leeft ten koste van de bijenlarve: de bij komt vaak misvormd ter wereld waarbij allerlei vergroeiingen mogelijk zijn zoals veel te kleine vleugels of het geheel ontbreken van vleugels bij de uitlopende honingbij. De varroamijt is een parasiet van de Aziatische honingbij Apis cerana, deze bij heeft enige natuurlijke weerstand opgebouwd zodat de mijt onder controle kan worden gehouden. De andere soorten honingbijen beschikken nog niet over een dergelijke weerstand en kunnen overwoekerd raken. Pas in de loop van de twintigste eeuw is de mijt naar West-Europa overgebracht zodat de bij zich nog niet heeft kunnen aanpassen.

Dode honingbijen door voedseltekort als gevolg van een strenge winter.

Er zijn ook mysterieuze aandoeningen, waar nog niet veel duidelijkheid over is. Zo komt het steeds vaker voor dat bijen door nog onbekende oorzaak massaal dood worden aangetroffen in het nest. Daarnaast sterft een groeiend percentage van de volken tijdens de winterperiode, onduidelijk is waarom.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kop